Artikelen:
Geniet van Istanbul met Marc Guillet

Gestorven voor een handvol steenkool

14 mei
2019
Door: Marc Guillet
Er zijn nog geen reacties

Gisteren was het vijf jaar geleden dat de stad Soma werd getroffen door de grootste mijnramp in de geschiedenis van Turkije. De tragedie van de 301 doden zakt langzaam maar zeker weg in de vergetelheid. Dat doet extra pijn bij weduwen en ouders van de omgekomen mijnwerkers, vooral omdat de hoofdschuldigen nog vrij rondlopen.

Soma

Hoog in de heuvels, op een uur rijden van Soma, is Suna Parca (50), druk bezig. De boerin in het dorpje Yayladali, met amper 30 inwoners, heeft niet alleen de zorg voor het huishouden maar ook voor haar dieren en de moestuin.

Ze bakt haar eigen brood en maakt zelf boter, kaas en yoghurt. Haar kleindochter Havanur (9) is het enige kind hier. Alle jong volwassenen zijn de armoede en het uitzichtloze leven ontvlucht en naar Soma vertrokken.

Net als haar oudste zoon Bayram. Op zijn negentiende vond hij werk in een van de mijnen, de belangrijkste werkgever in deze naar bruinkool stinkende stad waar alles om deze brandstof draait. Op de dag van de ramp, toen een oververhitte kabel explodeerde en een brand veroorzaakte die drie dagen duurde, zat de ochtenddienst er voor 350 mijnwerkers bijna op. De avondploeg was al op weg naar beneden in de schachten. Velen zaten als ratten in de val door de sterke rookontwikkeling. Bayram (24) overleed ter plekke.

“Veel mijnwerkers stikten door giftig koolmonoxidegas, anderen verbrandden levend”, zegt voormalig mijnwerker Ahmet Iren (33), die op duizend meter diepte vlakbij de brand was en tientallen collega’s hielp ontsnappen.

“Ze vonden een van mijn kameraden met een gesmolten helm op het hoofd, anderen elkaar omhelzend. Sommigen verloren het leven door in paniek met hun gezicht op de grond steenkoolstof te snuiven in de hoop te kunnen ontsnappen aan het dodelijke mijngas”.

De tijd heelt niet alle wonden. Woede en pijn etteren voort door het uitblijven van processen tegen de belangrijkste verantwoordelijken voor wat nabestaanden ‘de massamoord’ noemen. Geen enkele minister is aangeklaagd, noch inspecteurs die namens de overheid halfslachtige controles uitvoerden in de staatsmijnen en de rampmijn zelfs het predicaat ‘de veiligste mijn van Turkije’ gaven.

Amper 75 nabestaanden, familieleden en sympathisanten vroegen gisteren om aandacht voor de vrijwel vergeten tragedie en gaven uiting aan hun pijn en verontwaardiging met een stille protestmars naar het mijnwerkersstandbeeld in het centrum van Soma. Daarna volgde een bezoek aan de begraafplaats om te bidden voor hun echtgenoten, zonen, vaders, broers.

Elk van de 301 slachtoffers kreeg een grafsteen van gitzwart marmer, met een ouderwetse mijnwerkerslamp en de aanklacht ‘Hij stierf voor een handvol steenkool’.

Boven de ingang van de dodenakker staat met grote letters ‘We zijn het niet vergeten. We zullen het niet vergeten’. Maar die plechtige belofte is de afgelopen vijf jaar veranderd in een soort bezweringsformule, want nabestaanden klagen dat er steeds minder mensen deelnemen aan de herdenking van de ramp.

Wat de pijn erger maakt is dat geen enkele minister contact heeft gezocht met de nabestaanden. “Zelfs onze burgemeester heeft ons niet bezocht”, zegt Gülsüm, die haar zoon Ugur (26) in de mijn verloor. “Ze behandelen ons als stiefkinderen”.

Verontwaardigd zijn ze ook over de niet nagekomen beloften. Faruk Celik, de toenmalige minister van Arbeid en Sociale Zaken zei: ‘Wie verantwoordelijk en schuldig is, zelfs al is hij mijn zoon, zal terecht moeten staan”.

Omdat ambtenaren, bazen en managers van de Soma-mijn niet de nodige voorzorgsmaatregelen voor de gezondheid en veiligheid van de mijnwerkers namen, zijn 301 echtgenoten, vaders, zonen en broers uit het leven weggerukt.

Wat de oude wonden weer openrijt, is dat de grote baas van de mijn, Can Gürkan, een paar weken geleden vervroegd werd vrijgelaten. Hij had minder dan vijf jaar vastgezeten terwijl de rechtbank hem vorig jaar in de ogen van de familieleden ‘een belachelijk lage’ gevangenisstraf oplegde van 15 jaar wegens ‘doodslag door opzettelijke nalatigheid’.

“Gürkan heeft maar 6 dagen achter tralies gezeten voor elk leven dat we verloren”, zegt Ismail Colak, die 25 jaar in de mijn werkte, voorzitter is van de vereniging van nabestaanden van de ramp, en wiens zoon Ugur (26) in de mijn onherkenbaar verbrandde.

De rechtbank gaf de baas van de mijn niet alleen zijn vrijheid terug, maar ‘nog een ander cadeau’, zegt voorzitter Colak. “Hij kreeg tevens zijn vergunning terug om een steenkolenmijn te exploiteren”.

Voormalig mijnwerker Ahmet Iren, die zeven uur na het begin van de brand levend aan de ramp wist te ontsnappen, heeft nu geen nachtmerries meer. Het trauma is er nog steeds. “Elke keer als ik sirenes van een ambulance hoor, zie ik alle beelden van mijn omgekomen kameraden weer terug”.

Veel van de doden zijn volgens hem vergeten. Diep gelovige ouders en echtgenoten geloven dat het de wil van Allah was. Dat is een van de redenen dat er weinig steun is voor de juridische acties van nabestaanden. Een andere reden is volgens Ahmet dat velen zich geïntimideerd voelen. “De regering gaf weduwen en ouders geld, appartementen en werk. Ik denk om hen de mond te snoeren en aanklachten tegen de overheid te voorkomen”.

Reageren




*

Gestorven voor een handvol steenkool

Megalomaan vliegveld met Hollands tintje

Erdogan krijgt zijn zin: nieuwe verkiezingen in Istanbul

‘Ik vocht tegen Assad, nu repareer ik mobieltjes’