Artikelen:
Geniet van Istanbul met Marc Guillet

Carrière maken aan de Bosporus

1 okt
2009
Door: Marc Guillet
Er zijn nog geen reacties

In: Tulpia, Nr. 13, sept./okt.

“Waar ik hier in het begin erg moeilijk aan kon wennen is de sterke hiërarchie in de zakencultuur”, zegt ondernemer Sezer Arslan. “Dat merk je ook bij het aannemen van nieuwe medewerkers. Mijn eigen mensen durfden in het begin niet bij mij binnen te komen. Als ze me zagen, gingen de schouders omlaag, werden ze bescheiden en voorzichtig, letten ze heel erg goed op wat ze zeiden en werd hun stem onzeker. Dat komt door hun ervaringen bij eerdere werkgevers.

De 35-jarige Arslan kwam vier jaar geleden naar Turkije en merkte aan heel veel dingen dat hij erg Nederlands was geworden, terwijl hij in Turkije zijn jeugd doorbracht. “Als Nederlander probeer ik die bescheiden houding van mijn medewerkers te veranderen. Ik zeg tegen mijn mensen ‘je mag me best tutoyeren, je mag best Sezer zeggen, schouders omhoog, zelfverzekerder’. Ze willen het wel veranderen, maar het gaat heel moeizaam. Mij bij de naam noemen doen ze echt niet.

Een van mijn werknemers zei: ‘Meneer Arslan u moet mij echt niet dwingen u bij de voornaam aan te spreken, want ik voel me alleen prettig als ik u meneer noem’. Daaraan merk je dat je echt een Nederlander bent en dat je bepaalde cultuurverschillen niet gemakkelijk kunt veranderen. Zodoende pas je je gewoon aan. Veel werknemers vinden het getuigen van een gebrek aan respect als ze mij bij de voornaam zouden noemen. Ik moet me ook aanpassen aan de Turkse cultuur als ik een afspraak heb met een andere ondernemer, met iemand van de overheid of een burgemeester. Dan moet ik mijn jasje dichtknopen, hem heel beleefd aanspreken en goed opletten wat ik zeg.”

Het gevolg van die hiërarchische bedrijfscultuur is volgens de Amsterdamse Turk ook dat werknemers vaak te afwachtend zijn en bang zijn om zelf beslissingen te nemen of met initiatieven te komen. “In het algemeen zijn Turken bang om fouten te maken. Ze denken: ‘de patron weet alles en alles wat hij zegt is goed, dus spreek hem niet tegen want dat kost je je baan’. Toen ik dat in het begin merkte heb ik er bij iedereen op aangedrongen om met ideeën en commentaar te komen. Ik heb hen op het hart gedrukt dat het niet erg is om fouten te maken, omdat je daarvan juist leert. Dat je fouten intern kan permitteren en absorberen om het naar buiten toe beter te doen. Wat ik stimuleer is zo weinig mogelijk hiërarchie in de organisatie, maar hiërarchie in verantwoordelijkheden. Als mensen verantwoordelijkheden durven nemen, krijgen ze ook de ruimte om bepaalde dingen te doen. Bij mijn mensen werkt dat echt goed waardoor ik zelfsturende teams heb die er echt voor gaan en er daardoor ook geen sprake is van een 9 tot 5 mentaliteit zoals in Nederland. Als hier iets af moet en je geeft ze die verantwoordelijkheid dan gaan ze gewoon door. Ik heb het een keer meegemaakt dat een medewerkster heel de nacht heeft doorgewerkt. Zij was verantwoordelijk voor het project en dat stimuleerde haar enorm.”

Arslan, wiens vader in een dorp bij Kastamonu aan de Zwarte Zee werd geboren en na een paar klassen lagere school voor de schapen van heel het dorp moest zorgen, is behalve IT- en call centerondernemer ook boer. En daar is hij maar wat trots op. “Als men mij vraagt wat ik hier doe, zeg ik altijd: ‘ik ben bezig met natuur en mens’. Mijn bedrijf Plantapharm, waarmee ik drie jaar geleden begon, voert innovatie en ontwikkeling hoog in het vaandel. We zijn bezig met het ontwikkelen van nieuwe producten in de landbouw. Zo hebben we in Belek (Antalya) 80 hectare grond voor oreganoteelt. We hebben in Nederland onderzoek gedaan naar oreganosoorten en het verkrijgen van een homogene plant. We hebben zaadjes gewonnen.

Oreganoproducten hebben een belangrijke marktpotentie binnen de pluimvee- en melkveesector. In de olie de we winnen uit oregano zitten actieve stoffen met een natuurlijke antibiotica werking. Die olie wordt verwerkt in allerlei voer voor pluimvee en melkvee. Wij noemen dat dragers. Een soort tarwe wordt gedrenkt in de olie en dat product gaat naar de feed mills van de veevoerbedrijven. Het wordt ook gemengd met het bestaande voer voor de dieren. Het is belangrijk dat een kip die bij ons na 45 dagen op tafel komt geen ziektes heeft gehad tijdens de groei, maar ook dat het voedsel dat hij tot zich neemt omzet naar gewicht door middel van natuurlijke producten.”

De landbouw is zijn natuuractiviteit. Zijn mensenactiviteit is outsourcing, met name het call center Oxivo dat hij voor een opdrachtgever in Nederland heeft opgezet. “Wij bieden in Turkije de mogelijkheid om contactcenters op te zetten voor tele sales of inbound klantservice. Oxivo is een outsourcebedrijf met twee activiteiten: de ontwikkeling van software en contactcenter. Wij bieden programmeurs aan aan bedrijven die programmeercapaciteit nodig hebben. Verder bieden wij aan bedrijven die contactcenteractiviteiten nodig hebben zowel personeel en faciliteiten als de infrastructuur. De klanten voor de call centers zitten in Nederland, Duitsland en Turkije.”

Het was voor Arslan en zijn vrouw Hülya niet gemakkelijk om de beslissing te nemen om in Turkije te gaan wonen. Toen ze hier eenmaal woonden, bleek ook dat het niet zo makkelijk is als sommigen denken. Arslan: “Het idee van ‘ik ben een Turk en ik zal me daar wel redden’ is de verkeerde insteek. Want je merkt zodra je hier gaat wonen dat je een Nederlander bent geworden. En als me wordt gevraagd ‘ben je nou een Turk of een Nederlander? antwoord ik altijd met een wedervraag: ‘kun jij een keuze maken tussen je vader en moeder?’

In Nederland richt je zo je eigen bedrijf op. Je gaat naar de Kamer van Koophandel, schrijft je in, en je kunt beginnen. In Turkije moet je door een doolhof van bureaucratie met een hele papierwinkel. Dan verzucht je ‘jee, moet ik mijn kostbare tijd als ondernemer hier allemaal aan besteden?; zo kom ik niet toe aan zaken doen.’ Maar als je weet dat je hier moet opboksen tegen zo’n tijdrovende bureaucratie dan je huur voor je bedrijf iemand in die zich speciaal daarmee bezig gaat houden.

De notaris zoals we die in Nederland kennen, hebben we hier in Turkije niet. Hier moet je voor elk document weer ergens een stempel halen. Zelfs voor een overheidsdocument moet je een goedkeuring van een overheidsinstantie krijgen. Veel dingen gaan hier veel moeizamer en kosten veel tijd. Ook door het chaotische verkeer. Om van de Aziatische naar de Europese kant van Istanbul te komen en omgekeerd, ben je niet zelden drie uur kwijt; voor een rit! Voor een afspraak ben je dan bijna een hele dag kwijt. Als het kan plan ik dus de afspraken op mijn eigen kantoor hier aan de Aziatische kant van Istanbul.”

Een van de vele leuke dingen aan het leven in Istanbul is dat heel veel meer spontaan is dan in Nederland, zo heeft de ondernemer gemerkt. “Vrienden bellen me met ‘hee, we gaan over een uurtje ergens uit eten, gaan jullie ook mee?’. En als ik dan niet kan en zeg ‘laten we een afspraak maken voor later deze week’ lachen ze en zeggen: ‘daar heb je die Nederlanders weer’. Dan plagen ze me en zeggen: ‘Ik snap het al, als we jullie willen zien, moeten we drie weken van tevoren bellen en dan een vaste tijd afspreken en zelfs zeggen wanneer we van plan zijn weg te gaan’.”

Zijn medewerkers in het call center hebben allemaal een redelijke opleiding. Maar voor de mensen
die op zijn akkers werken, is dat niet het geval. Het onkruid moet gewied worden. En al dat bukken is natuurlijk slecht voor hun rug. Dus besloot Arslan uit Nederland een idee over te nemen van een biologische boer: een aanhanger achter de trekker met vijf bedden waar arbeiders al liggend het onkruid kunnen wieden. “Nou aan dergelijke nieuwlichterij begonnen ze echt niet. De voorman zei: ‘ben je nou helemaal gek, denk je dat we liggend ons geld willen verdienen?’

“Als Nederlandse Turk denk je toch dat je dat voor elkaar krijgt, maar vergeet het maar. De les is dat je de culturele verschillen moet begrijpen en respecteren, en moet meenemen in je doen en laten. Kijk, als ik een technisch probleem heb en ik bel naar een bureau dan duurt het vaak een paar dagen en vele telefoontjes voordat ik een technicus zie. Nadat hij zijn werk heeft gedaan geef ik hem 20 Turkse lira (9 euro) extra, zodat hij ergens kan lunchen. In Nederland zouden ze dat zien als omkoping, maar dat is helemaal niet zo. Het is gewoon een fooi en ik investeer daarmee in mijn contacten. Ik krijg van hem zijn telefoonnummer. En de volgende keer dat ik een probleem heb, bel ik zijn nummer en word ik veel sneller geholpen, ook na werktijd.”

Arslan komt nog vaak in Nederland. Soms twee keer per maand. “Mijn ouders en de rest van mijn familie woont daar. Ik heb er nog heel veel vrienden en ik doe zaken met Nederland”. Op de vraag of hij nog iets speciaals mist uit Nederland, zegt hij zonder enige aarzeling: “Pindakaas mis ik het meest”.

Reageren




*

Dordtse Deniz mag al een jaar Turkije niet uit: ‘Ik hoop op vrijspraak’

Duizenden Turken beboet voor roken in auto, maar aantal rokers neemt nauwelijks af

Horendol van ongevraagde verkooptelefoontjes

Animo mkb-ondernemers voor Turkije daalt dramatisch