Artikelen:
Geniet van Istanbul met Marc Guillet

Zakdoekjes tegen de armoede

29 mrt
2008
Door: Marc Guillet
Er zijn nog geen reacties

Diyarbakir – Haar moeder noemde haar bij de geboorte Birtane. Een prachtige naam voor een meisje met mooie, grote bruine ogen, een intelligente blik en kokette manieren. Birtane betekent ‘de enige ware’. Zes is ze nu. Een kleuterschool heeft ze nog nooit van binnen gezien. En of ze ooit zal leren lezen en schrijven, is twijfelachtig.


Meestal is Birtane vergezeld van leeftijdgenootjes. Jongens en meisjes, die net als haar papieren zakdoekjes verkopen. “Maar 25 kurus (12 eurocent) voor tien zakdoekjes”, zegt ze terwijl ze een toerist een pakje in de handen duwt. Haar glimlach is lief, maar haar ongewassen gezicht is nu al oud en haar vuile voetjes in plastic slippers en verwilderde haardos spreken van het harde leven dat ze met talloze andere straatkinderen deelt.


De zakdoekkinderen hangen rond bij hotels in het centrum van Diyarbakir, de grootste stad in het Koerdische zuidoosten van Turkije. Birtane heeft nog vijf broertjes en zusjes. Haar vader verkoopt groente en fruit als straatventer. Zijn kinderen vullen het schamele inkomen aan van pa, die veel concurrentie heeft van ontelbare andere werklozen in deze stoffige stad aan de Tigris. “Soms heb ik vijf miljoen lira (2,50 euro)”, zegt Birtane in het Koerdisch. “Meestal minder”. Voor acht uur ’s ochtends is ze al bij de hotels te vinden. En ze gaat pas naar huis als het al lang donker is en de meeste kinderen slapen. Vaak wordt ze weggejaagd door middenstanders die de straatkinderen niet voor hun winkels willen zien. “Twee keer pakte de politie me op. Ik moest in de cel blijven tot papa mij kwam ophalen”.
Het meisje woont in Fatihpasha, een achterbuurt op een steenworp afstand van het centrum. Op weg daarheen zien we werkloze mannen in rokerige theehuizen op lage krukjes zitten. Ze slurpen bitterzoete thee uit tulpvormige glaasjes of verdrijven de tijd met domino, rummikub of backgammon dat in deze contreien is ontstaan. Uit de werkplaats van de smid klinkt het metalen geluid van een hamer die hard neerkomt op het roodgloeiende ijzer van een sikkel. Bij de berber laten mannen zich scheren. Op een kar worden geslachte en ontvilde schapen aangevoerd. Een slager blaast gewassen darmen van koeien en schapen op en hangt ze als langwerpige condooms te drogen.
Tussen en naast geparkeerde auto’s staan overal kinderen met kruiwagens. Ze wachten op een vrachtje. Sommigen hebben geluk en worden door winkeliers gewenkt om voor wat kleingeld iets weg te brengen. Volwassen sjouwers met een moedeloze blik in de ogen zitten op hun karren. Als er een bestelbusje stopt, rennen vier kinderen met hun kruiwagens naar de openslaande deuren. Teleurgesteld druipen ze af wanneer blijkt dat de chauffeur de doos zelf naar de winkel brengt. Even verderop zit een jongentje die vraagt of je voor een grijpstuiver op zijn roestige weegschaal gaat staan. Andere kinderen poetsen schoenen of grote koperen potten.
In de nauwe steegjes van de rommelige achterbuurt Fatihpasha wordt het straatbeeld bepaald door vrouwen en kinderen; heel veel kinderen. Vrouwen zitten voor hun armzalige huisjes te breien of zo maar te kletsen. Andere moeders wassen en schrobben tapijten of lopen met grote plastic teilen vol gerezen deeg op hun hoofd naar de bakkerij om het te laten bakken. In een van de steegjes scharrelen kippen en eenden. Kinderen voetballen, knikkeren tussen het zwerfvuil of spelen tikkertje. Een op de vijf kinderen in deze buurten gaat niet naar school. Als ze wel les krijgen, komen ze in klassen terecht met gemiddeld 55 kinderen.
Dit is de ‘derde wereld’ van het snel moderniserende en snel welvarender wordende Turkije (de 17de economie van de wereld). De meeste Turken zijn hier nooit geweest. Degenen die er voor het eerst komen, zijn geschokt.
Diyarbakir is door de oorlog tegen de Koerdische rebellen van de PKK de afgelopen 20 jaar uit zijn voegen gegroeid van 350.000 tot 1 miljoen nu. Talloze Koerden werden gedwongen hun dorpen te verlaten, doordat het leger deze verwoestte en platbrandde om te voorkomen dat dorpelingen de rebellen eten en onderdak zouden vershaffen.
Firat, in de achterbuurt Hasirli, is een van hen. Hij werd geboren in een dorpje bij het stadje Lice. “In 1993 maakte het leger onze huizen onbewoonbaar en brandde de rest plat”. Zijn vader was boer, die tabak verbouwde en wat vee had. Nu heeft hij niets meer. Geen werk, geen inkomen. Net als zijn zoon Firat. Hij heeft drie kinderen en is bouwvakker, maar hij heeft hooguit twee of drie maanden per jaar werk. “Ik heb hepatitus-b en geen inkomen. De huur is 200 lira. We lenen wat van vrienden en familie, maar ik heb al een huurachterstand van vier maanden”.
Uit zichzelf begint hij over politiek. Over de Koerdische Partij voor een Democratische Samenleving (DTP) tegen wie het Constitutionele Hof een verbodsprocedure is gestart, omdat de partij de spreekbuis zou zijn van ‘de terroristen en propaganda maakt voor separatisme’. De bouwvakker sympathiseert met de DTP en de PKK. “Zonder hen zou de wereld niet weten dat er in Turkije Koerden bestaan”.
Ook andere mannen, tieners en vrouwen in de achterbuurten roeren spontaan het onderwerp van de Koerdische identiteit aan. Ze maken met twee vingers het victorie-teken en zeggen ‘Apo’ (oompje), de bijnaam van de tot levenslang veroordeelde leider van de PKK, Abdullah Öcalan.
Een trucker met acht kinderen gaat verder en zegt: “Ik zal trots zijn als een van mijn kinderen de bergen intrekt en zich aansluit bij de gewapende strijd.” En een tapijthandelaar in de bazaar kijkt schichtig om zich heen wanneer hij op gedempte toon onthult dat twee zonen van zijn zus zich bij de guerrilla hebben aangsloten ‘omdat ze niet langer als tweederangsburgers in hun eigen land wilden worden behandeld’. “Een neef is in de bergen gesneuveld en twee andere zijn wegens lidmaatschap van de PKK tot 24 jaar en 35 jaar cel veroordeeld”.
Lange tijd heeft de Turkse overheid het bestaan van de Koerden ontkend. Neerbuigend sprak men van ‘Bergturken’ en later van ‘oostelijke Turken’. Op allerlei manieren werd hun aan het Perzisch verwante taal onderdrukt en verboden. Het gebruik van Koerdische namen en de Koerdische letters X, Q en W werd strafbaar gesteld en de Koerden werden gedwongen zich te assimileren tot model Turken. De taaldiscriminatie is wat verzacht, maar nog steeds worden Koerden strafrechterlijk vervolgd wegens het gebruik van hun moedertaal in het openbaar. Zoals Osman Baydemir, de burgemeester van Diyarbakir, tegen wie vorige week een proces begon, omdat hij een boek publiceerde met kinderverhalen in het Turks en Koerdisch.
De harde onderdrukking van hun cultuur en identiteit heeft het smeulende vuur van het Koerdische nationalisme aangewakkerd. De verwoesting van hun dorpen, de schreeuwende armoede en werkloosheid, en de slechte kwaliteit van onderwijs en sociale voorzieningen voeden het wantrouwen tegen de Turkse staat.
In achterbuurten als Fatihpasha is het inkomen per dag 50 eurocent per dag per persoon. Net als het gezin van de 45-jarige Fadil. Hij heeft twaalf kinderen, is sjouwer en heeft zelden werk. Twee van zijn jongens – een van 14 en de ander 15 jaar – werken bij een smid. Zij brengen per week samen 50 lira (26 euro) binnen. “Ik verliet ons dorp in 1972 in de hoop dat het in de stad beter zou zijn. Maar we hebben hier niets: geen keuken, geen behoorlijke wc. Alleen een paar kamers.”
Diyarbakir was voor de oprichting van de republiek door de generaal en staatsman Mustafa Kemal Atatürk in 1923 de op twee na belangrijkste stad van Turkije, na Istanbul en Bursa, wat betreft handel en industriele productie. De enige records die de stad nu nog heeft zijn negatief: armoede, werkloosheid, belabberd onderwijs en discriminatie.
Mehmet Kaya, de Koerdische voorzitter van de lokale Kamer van Koophandel, zegt dat Diyarbakir recht heeft op heel veel extra hulp van de Turkse overheid om de opgelopen achterstand in te halen. “De afgelopen 25 jaar heerste in deze regio de staat van beleg. Wij willen financiele compensatie voor de kwart eeuw van discriminatie”. Hij wijst er op dat de overheid in al die jaren geen leerkrachten en artsen heeft gestuurd. “Wegen, onderwijs en gezondheidszorg werden verwaarloosd. Twee op de drie inwoners moet rond zien te komen van minder dan 1,30 euro per dag. We hebben een zeer jonge bevolking: 44 procent is tussen de 7 en 24 jaar. Slechts een op de twee jongeren kan na de basisschool nog verder leren.”
Kaya is blij dat premier Erdogan net een pakket maatregelen ter waarde van 12 miljard dollar heeft afgekondigd om met niet-militaire middelen de voedingsbodem van het Koerdische nationalisme weg te nemen. Om een dam op te werpen tegen de constante aanwas van PKK-rebellen zal de overheid de komende vijf jaar twee waterkrachtcentrales bouwen voor de opwekking van elektriciteit en de irrigatie van een groot landbouwareaal. Daarnaast wordt het geld gebruikt voor de aanleg van wegen en het opruimen van landmijnen aan de grens met Syrie om het gebied weer vrij te geven voor landbouw. Ook zal er een tv-zender komen die gaat uitzenden in het Koerdisch, Arabisch en Perzisch.
Allemaal toekomstmuziek die het leven van de werklozen er voorlopig niet rooskleuriger op maakt. Noch voor kinderen als Birtane. Net zoals elke dag zal ze morgen weer op de stoep voor het hotel slenteren en met die grote ogen vragen om zakdoekjes van haar te kopen.

 

Reageren




*

Dordtse Deniz mag al een jaar Turkije niet uit: ‘Ik hoop op vrijspraak’

Duizenden Turken beboet voor roken in auto, maar aantal rokers neemt nauwelijks af

Horendol van ongevraagde verkooptelefoontjes

Animo mkb-ondernemers voor Turkije daalt dramatisch