Artikelen:
Geniet van Istanbul met Marc Guillet

Schoonzoon aller Turken mag al een jaar niet naar huis

25 sep
2017
Door: Marc Guillet
Er zijn nog geen reacties

Voormalig Europarlementariër Joost Lagendijk kreeg de eretitel ‘Schoonzoon aller Turken’ toen hij in 2006 in het huwelijk trad met journalist Nevin Sungur. Nu is hij ongewenst persoon en mag al een jaar niet terug naar huis in Istanboel. “Het is een drama”, zegt hij.

“Van de ene op de andere dag werd ik weggerukt uit Istanboel. Maandag een jaar geleden. Ik overleef”, zegt Turkije kenner Lagendijk (60), die probeert de moed er in te houden.

“Het is een drama, maar ik heb geen aanleg voor pessimisme of depressiviteit. Dus ik zit niet in een hoekje te sippen over wat me overkomen is. Gelukkig heb ik nog mijn netwerk van vroeger hier. Ik spreek mijn vrouw elke dag via Facetime. Dat je elkaar kunt zien is enorm belangrijk om de band hecht te houden. Maar er zijn natuurlijk ook momenten dat ik denk ‘jeetje hoe ben ik hier in beland en hoe kom ik er uit?’.

Zondagavond 25 september vorig jaar hield de politie hem aan bij terugkeer van een bezoek aan Nederland op de luchthaven van Istanboel. Hij mocht het land niet meer in. “Misschien is het alleen maar een pesterijtje”, zo klonk het hoopvol uit de mond van de oud-GroenLinks politicus en Turkije analist die sinds 2009 in Istanboel woont.

Twee dagen eerder zei hij in een interview met deze krant ‘Ik had de donkere kant van de Gülen-beweging eerder moeten zien’. Hij werkte voor een Gülen universiteit die na de verijdelde militaire staatsgreep werd gesloten, en schreef kritische columns over de regering-Erdogan die verschenen in de kranten Zaman en Today’s Zaman, de spreekbuizen van de Gülen-beweging.

“De ultieme sanctie zou zijn dat ze me het land uitzetten. Het zou naïef zijn om te denken dat mij dat niet kan overkomen”, zei hij toen.

Die gevreesde nachtmerrie kwam bijna letterlijk uit. Al twaalf lange maanden leeft hij in gedwongen ballingschap en is hij afhankelijk van vrienden en kennissen voor onderdak.

Heeft u er slapeloze nachten van?

“Gelukkig slaap ik prima. Ik had de mazzel dat ik bijna elf maanden bij een goede vriend in Utrecht kon verblijven. Daar ben ik hem eeuwig dankbaar voor. Zijn huis werd mijn basis. Daar waren mijn kleren en boeken. Sinds enkele weken pas ik op het huis van kennissen in Den Haag. Zo’n onzekerheid over waar je moet slapen kun je er echt niet bij hebben”.

Hoe voelt u zich?

“Meestal lukt het me aardig om de dingen te doen die ik moet doen. Ironisch genoeg is dat het volgen wat er in Turkije gebeurt zodat ik daar voor de radio, tv of in een artikel verslag van kan doen als analist en Turkije commentator. Ik kom mijn dagen hier zonder problemen door. Toch mis ik Turkije ook enorm. Mijn vrouw, onze honden en katten, de boten over de Bosporus, geuren en geluiden. Het zou traumatisch worden als zou blijken dat ik nooit meer terug kan, dat we alles moeten opgeven in Turkije. Zover zijn we gelukkig nog niet. Ik ben historicus en heb vaak de uitdrukking gelezen ‘tussen de raderen van de geschiedenis belanden’. Daar kon ik me nooit zoveel bij voorstellen. Nu snap ik dat heel goed. Ik ben tussen de raderen van de Turkse geschiedenis terechtgekomen. Af en toe voel ik me hulpeloos. Ik heb alles al gedaan wat ik kon doen en nog steeds zit ik hier.”

U heeft al meer dan een jaar geen vaste baan meer. Hoe redt u dat financieel?

“We zijn niet gedwongen ons huis te verkopen, maar de broekriem zit redelijk strak. Nevin heeft wat inkomsten als freelancer. En ik uit mijn werk als commentator. Dat is net genoeg om het hoofd boven water te houden. Het is een beetje houtje touwtje, maar gelukkig redden we het.”

Wat is de reden voor uw inreisverbod?

“Ik heb nooit iets zwart op wit gekregen, maar mijn analyse en ook die van het ministerie van Buitenlandse Zaken is dat ik slachtoffer ben van de heksenjacht op iedereen die op een of andere manier in verband kan worden gebracht met de Gülen-beweging. Niet wat ik schreef in mijn columns, maar dat ze verschenen in de Gülen-kranten wordt mij nagedragen.”

Heeft uw boek ‘Erdogan in een notendop’ uw zaak gecompliceerd?

“Ik heb er nooit een reactie op gehad vanuit Turkije. Er is geen ophef over ontstaan. Als ze je willen pakken dan starten diverse regeringsgezinde kranten of websites een campagne tegen je. Dat had makkelijk gekund met dat boek van mij, maar dat is niet gebeurd. Het is doodgezwegen. Daar ben ik wel blij mee, want dat betekent dat wat ik nu zeg en schrijf niet wordt gebruikt om mij verder aan te pakken.”

Past u nu zelfcensuur toe?

“Ik heb bewust besloten dat ik bij wat ik zeg of schrijf geen rekening zal houden met overwegingen als ‘helpt dat me?’, ‘schaadt dat me?’. Anders kan ik niet meer objectief zijn. Ik moet als commentator in vrijheid kunnen zeggen of schrijven wat ik vind, anders kan ik net zo goed stoppen. De non-reactie uit Turkije op mijn Erdogan-boek geeft voor mij aan dat mijn uitlatingen als analist mij niet worden nagedragen”.

Hoopt u voor de kerst terug te zijn in Istanboel?

“Geen idee. In het eerste half jaar dacht ik ‘het is lullig maar er komt wel een eind aan’. Je creëert voor jezelf elke keer een moment in de toekomst waarop er een besluit zou kunnen vallen. Dat geeft hoop. Het is niet prettig om te denken dat de toekomst een oneindig zwart gat is. In januari liep de termijn af voor mijn aanvraag van een gezinsherenigingsvisum. Dat visum kreeg ik niet. Daarna hoopte ik op een mogelijk gunstige beslissing als het referendum in april goed voor Erdogan zou aflopen. De uit de hand gelopen diplomatieke rel in maart tussen Nederland en Turkije gooide roet in het eten.”

Verwacht u wat van een nieuw kabinet?

“Dan zou mijn zaak in beweging kunnen komen. Het ligt in de lijn der verwachting dat er dan gezegd wordt ‘we moeten met elkaar verder, we maken een herstart’. Ik hoop diep van binnen dat de toenadering die ik verwacht na de bordesscène ook mij ten goede gaat komen.”

Reageren




*

Nederland met $1,5 miljard topinvesteerder in Turkije

‘Turkse regering gijzelt Amerikanen’

Schoonzoon aller Turken mag al een jaar niet naar huis

‘Romans zijn als musea’